in een vliegtuig is er een belg, een griek, en een chinees. de belg laat een baksteen vallen. de belg komt beneden en er is een kindje aan het wenen. wat is er? vraagt de belg. er is een baksteen op mijn hoofd gevallen. de griek laat een koelkast vallen. de griek komt beneden en een kindje is ook aan het wenen. wat is er? er is een koelkast op mijn hoofd gevallen. de chinees laat een bom vallen en komt naar beneden. en er is een kindje heeeeeel hard aan het lachen. wat is er gebeurd, zei de chinees? ik heb een scheet gelaten en de kerk is ontploft.